|
Gepubliceerd in: Folia. Politicoloog Ward Berenschot onderzocht grootschalige rellen in India. In zijn met een cum laude bekroonde proefschrift betoogt hij dat dit geweld mogelijk was omdat het politieke systeem in India gebaseerd is op afhankelijkheidsrelaties.
De wereld reageerde geschokt toen eind november 2008 in het Indiase Mumbai ruim honderd mensen omkwamen bij aanslagen. Dergelijk geweld is in India echter niet nieuw. Er heersen in het land al decennia lang spanningen tussen hindoes en moslims, spanningen die regelmatig uitlopen op aanslagen en andere vormen van geweld. En politici blijken hierin een cruciale rol te spelen.
Wat voor baat hebben politici bij dergelijk geweld? En hoe slagen zij erin het te organiseren? Deze vragen stonden centraal in het onderzoek van politicoloog Ward Berenschot (1977), die 30 januari promoveerde. Hij richtte zich op een geweldsuitbarsting in de West-Indiase provincie Gujarat in 2002. Nadat hier 58 mensen omkwamen in een in brand gestoken treinwagon, werd de beschuldigende vinger naar moslims gewezen. Hierop vielen grote groepen hindoefundamentalisten moslimbuurten binnen waar zij plunderden, vernielden, verkrachtten, verminkten en moordden. Het geweld hield drie maanden aan; er vielen ruim duizend doden en 2500 gewonden.
Berenschot verbleef voor zijn onderzoek vijftien maanden in de grootste stad van Gujarat. Hij leerde de taal en dompelde zich onder in het sociale en politieke leven van de buurten waar bij verbleef. Zo leerde hij de structuur van de samenleving kennen. Zijn voornaamste conclusie: het geweld van 2002 heeft kunnen plaatsvinden door het politieke systeem van India, dat Berenschot een mediated state heeft genoemd. In zo’n staat spelen tussenpersonen en afhankelijkheidsrelaties een belangrijke rol. ‘Het geweld tussen hindoes en moslims ontstond niet “spontaan,” zoals destijds werd beweerd.’, vertelt Berenschot. ‘De geweldsuitbarsting was te grootschalig en er zat duidelijk een soort organisatie achter. Ik ben mee gaan lopen met mensen in de buurt en heb gekeken naar het functioneren van politici waarvan ik leerde dat zij betrokken zijn geweest bij de rellen van 2002. Voor dat meelopen ben ik veel met mensen gaan praten en thee met hen gaan drinken, waarna ik via via steeds weer bij anderen geïntroduceerd werd. Ik presenteerde mezelf als iemand die onderzoek deed naar buurtpolitiek. Wat deels waar was. Bij een onderzoek naar een gevoelig onderwerp als dit heb je soms smoesjes nodig.’
Dankzij het meelopen met politici en andere betrokken in hun dagelijks werk, aangevuld met interviews, kwam Berenschot erachter hoe het sociaal-politieke systeem in elkaar stak en hoe sterk de onderlinge relaties daarin waren. Berenschot: ‘Er bestaat in de Indiase samenleving een groot, complex, grijs netwerk van tussenpersonen tussen de burgers en de staat. Dit zijn zogenoemde partijwerkers en social workers maar ook criminelen, die burgers helpen om bepaalde dingen gedaan te krijgen. Als je in Nederland een paspoort nodig hebt, ga je naar het stadhuis en dan is het zo geregeld. In India niet. De Indiase overheid heeft niet de capaciteit om iedereen te helpen en de bureaucratie is weinig productief. Vooral armen hebben zelf eigenlijk geen toegang tot de overheid of politici. Dus als zij een paspoort nodig hebben, of een plek in het ziekenhuis, of als er iets aan hun watervoorziening gedaan moet worden, gaan zij of naar een lokale politicus die op de hoek van de straat mensen met problemen aanhoort, of naar een tussenpersoon. Die een politicus kent en die dankzij dit contact kan zorgen dat datgene wat geregeld moet worden gedaan wordt. Er vind een continue uitwisseling plaats van diensten, en iedereen heeft elkaar nodig. Tussenpersoon zijn is een echt beroep waarmee je geld en aanzien verwerft. En de lokale politicus verwerft met zijn hulp aan tussenpersonen en burgers niet alleen gunsten maar ook stemmen waardoor hij aan kan blijven.’ Het zijn deze afhankelijkheidsrelaties waardoor volgens Berenschot de rellen georganiseerd konden worden. De organisatie verliep volgens de lijnen van de al bestaande netwerken, en mensen deden eraan mee omdat zij er veel baat bij hebben hun contacten goed te houden. Politici boden bijvoorbeeld social workers toegang tot wapenvoorraden, en er werden mensen aangewezen om de zogenaamd spontaan ontstane mobs te leiden. Uit eerder onderzoek was al naar voren gekomen dat politici die helpen het geweld te organiseren, hiervan profiteren doordat het hen stemmen oplevert. In Gujarat stond de Hindoepartij BJP voor de rellen van 2002 op verlies; maar tijdens de verkiezingen aan het eind van het jaar behaalden zij een grote overwinning. Berenschot: ‘Door de hindoe-moslim tegenstelling naar voren te halen, worden andere tegenstellingen naar achteren geduwd. Als dan de ene politicus benadrukt dat hij opkomt voor hindoes, en de ander benadrukt dat hij staat voor mensen uit een bepaalde regio, zowel hindoes als moslims, zullen mensen na zo’n geweldsuitbarsting denken: “Wat hebben we daaraan? Moslims zijn toch gevaarlijk?”. En stemmen ze op de hindoekandidaat. Er wordt vaak gedaan alsof dit soort effecten premodern zijn. Maar eigenlijk hangt het samen met het functioneren van een moderne staat. Democratie wakkert deze processen juist aan.’
Het onderzoek van Berenschot is vrij uniek. De methode die hij heeft gebruikt, participerende observatie, wordt veel toegepast in de antropologie maar nauwelijks binnen de politicologie. Onterecht, volgens Berenschot: ‘Onderzoek van politicologen is vaak teveel gebaseerd op hoe westerse democratieën werken. Maar dit systeem dat ik een mediated state heb genoemd is in grote delen van de wereld wat politiek inhoudt. Om de processen die hierbij een rol spelen te kunnen begrijpen, heb je er weinig aan om alleen te kijken naar het officiële politieke niveau.’
Eerdere onderzoeken naar geweldsuitbarstingen zoals die in Gujarat keken naar het druk uitoefenen door politici of naar de angsten en frustraties van het volk. Berenschot: ‘Maar deze onderzoeken konden niet alle aspecten van het geweld verklaren. Zoals waarom het op bepaalde plekken wel voorkomt en andere niet. Met mijn invalshoek kan dat wel. Door je te richten op de afhankelijkheidsrelaties valt bijvoorbeeld te verklaren waarom het geweld vooral plaatsvond in arme wijken, terwijl onder de rijkere klassen net zulke sterke nationalistische hindoesentimenten leven. Dat heeft er niets mee te maken dat armeren dommer zouden zijn, of zich makkelijker later beïnvloeden. Zulke vooroordelen hoop ik met dit onderzoek weg te halen. ’
Berenschot vermoedt dat het principe van een mediated state niet alleen in India maar wereldwijd een belangrijke rol speelt bij grootschalig religieus of etnisch geweld. ‘Als je bijvoorbeeld kijkt naar de massale moord op Tutsi’s in Rwanda of het geweld tussen christenen en moslims en Indonesië, is er een vergelijkbaar patroon zichtbaar als in India. Je hebt daar vergelijkbare netwerken met politici en tussenpersonen die het geweld organiseren. En ook hier lijkt sprake te zijn van een polarisatie die samenhangt met de schaarste van goederen en diensten die de staat levert. Komende zomer wordt mijn vrouw voor zeven maanden uitgezonden naar Indonesië. Ik wil dan meegaan en daar eenzelfde onderzoek doen als ik in India heb gedaan. Ik heb geen postdocaanstelling, en zoek nog een beurs voor mijn onderzoek daar, maar ook als ik die niet krijg wil ik het gaan doen.’
Als geweld zoals dat in India inderdaad voortkomt uit de manier waarop de staat functioneert, hoe kan je het dan oplossen? Berenschot: ‘Het lijkt er op dat dergelijk geweld steeds terugkeert wanneer de omstandigheden er naar zijn. Sinds de onafhankelijkheid van India komen in Gujarat ongeveer elke tien jaar grote uitbarstingen zoals die van 2002 voor. Aangezien het principe van de mediated state voortkomt uit het beperkte budget en de beperkte capaciteiten van de overheid, kan je door dit aan te pakken het geweld oplossen. Op het moment dat de overheid zelf de problemen van alle burgers kan oplossen wordt het hele netwerk van tussenpersonen overbodig en vervallen de afhankelijkheidsrelaties. Wat verder specifiek in India gedaan kan worden, is de grote greep die politici hebben op de ambtenarij verkleinen. Politici controleren momenteel de benoeming en transfers van ambtenaren. Het is deze greep op de ambtenarij die politici hun grote macht geeft. Als je deze greep verkleint, zou je een veel vreedzamer politiek systeem krijgen.’
Ward Berenschot, Riot Politics. Communal Violence and State-Society Mediation in Gujarat, India, promotiedatum: 30 januari.
|